Professionals

in food

Zoekt u een projectmanager? Wij zorgen snel voor de juiste professional met de juiste technische achtergrond. Een stevige projectmanager die past bij de cultuur van uw bedrijf.

Parijs en de Sustainable Development Goals, een momentopname

Eind 2015 werd de United Nations Climate Change Conference, ook wel COP21 of CMP11, in Parijs georganiseerd. Met het ondertekenen van de klimaatdoelstellingen van “Parijs” heeft ook Nederland zich gecommitteerd aan het halen van de 17 toentertijd geformuleerde Sustainable Development Goals (SDGs) en verder uitgewerkt in 169 subdoelstellingen en 244 indicatoren.

De 17 doelstellingen vormen samen een actieplan voor mens, planeet en welvaart en dat, indien succesvol uitgevoerd, de klimaatverandering tot een stilstand zou moeten kunnen brengen.

Vanuit voedingsmiddelenperspectief bekeken zijn er drie SDG’s die een directe link met de branche:

  • Sustainable Development Goal 2: ‘Een einde maken aan honger, bereiken van voedselzekerheid en verbeterde voeding en het bevorderen van duurzame landbouw’;

  • Sustainable Development Goal 12: ‘Verzeker duurzame consumptie- en productiepatronen’;

  • Sustainable Development Goal 13: ‘Ondernemen van urgente actie om klimaatverandering en de gevolgen ervan tegen te gaan’.

Het is de bedoeling van het akkoord dat alle doelen in 2030 bereikt worden. Of dat gaat lukken is met het aantreden van de Amerikaanse Trump administratie erg onzeker geworden. De opstelling van de Amerikaanse regering heeft klimaat-sceptici over de hele wereld nieuwe energie gegeven ten strijde te trekken tegen Parijs.

Wij focussen ons in dit artikel op de stand van zake met betrekking tot de Nederlandse inspanningen. Dit op basis van het rapport Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland, CBS, 2018

Hoe doet Nederland het?

Voedsel is verantwoordelijk voor 20-30% van de wereldwijde broeikasgasuitstoot, aldus het RIVM. Om de broeikasgasuitstoot van het voedselsysteem binnen acceptabele grenzen te brengen, is het belangrijk de voedselproductie en -consumptie te verduurzamen.

Een eerste meting van de stand van de SDG-indicatoren voor Nederland verscheen in 2016 (CBS, 4 november 2016). Het vormde toen het startpunt voor een brede maatschappelijke consultatie waarbij ministeries, planbureaus, kennisinstituten en maatschappelijke organisaties werden gevraagd informatie te verstrekken met betrekking het startmoment.

Nederland staat er met betrekking tot de 17 Sustainable Development Goals goed voor, zo laten onder andere studies van PBL, OESO en SDSN/Bertelsmann zien. De laatste studie zette Nederland op de achtste plaats in de wereld. Uit de CBS meting bleek dat Nederland gemiddeld tot de Europese subtop behoorde. ‘Op veel punten gaat het in Nederland goed. Op andere gebieden zijn er nog uitdagingen, zoals bij klimaatbescherming, hernieuwbare energie en de voetafdruk elders in de wereld,’ aldus het CBS. ‘De Nederlandse voedselproductie is hoog, maar Nederland scoort laag op duurzaamheid van deze productie’ zo was de kritische beschouwing van het CBS in het 2016 rapport.

Hoe wordt de situatie nu in het 2018 rapport gewaardeerd?

Goal 2: ‘Een einde maken aan honger, bereiken van voedselzekerheid en verbeterde voeding en het bevorderen van duurzame landbouw’;

Vergeleken met andere landen in de wereld komt ondervoeding en voedselonzekerheid niet vaak voor in Nederland. Toch maakten in 2016 135 duizend personen (0,8 procent van de bevolking) gebruik van ondersteuning door de Voedselbanken. Het betreft hier grotendeels mensen met een laag inkomen of schulden.

Zowel nationaal als in de ons omringende landen is overgewicht een meer voorkomend verschijnsel. Uitgaande van de officiële definitie (een BMI van 25 of meer) is er bij iets meer dan de helft van de Nederlanders sprake van overgewicht. Wanneer wordt gekeken naar de gegevens op de langere termijn is er bovendien sprake van een duidelijk stijgende trend. In 2000 was het percentage mensen met overgewicht ongeveer 44, in 2016 was dit opgelopen tot ruim 50.

Qua landbouwproductiviteit draait Nederland, samen met Denemarken, al langere tijd mee in de Europese top. Sinds de eeuwwisseling is het productievolume per eenheid arbeid met ruim 41% gestegen.

Deze intensieve landbouw en veeteelt heeft ook een aantal nadelen. Zo staat het intensieve gebruik van de grond regelmatig op gespannen voet met duurzaam bodemgebruik en behoud van biodiversiteit. Een teveel aan mineralen zoals stikstof in de bodem kan leiden tot vervuiling van grond, water en lucht. Door beleidsmaatregelen en inspanningen binnen de landbouw is het nutriëntenoverschot de laatste jaren afgenomen. De Nederlandse landbouwbodem kende lange tijd een groot fosforoverschot. Met behulp van gericht beleid is dit de laatste jaren fors

teruggedrongen. In de afgelopen 25 jaar daalde het overschot van 34 naar 3 kg fosfor per hectare.

Ook bij het terugdringen van het stikstofoverschot zijn de afgelopen jaren stappen gezet. Ondanks deze flinke daling, bevindt Nederland zich voor stikstof nog steeds in de Europese achterhoede, op positie 23 van de 25 EU-landen waarvoor cijfers beschikbaar zijn. De afname van het nutriëntenoverschot bij de Nederlandse landbouwbodem komt doordat de toediening van meststoffen flink daalde, terwijl de oogst in veel mindere mate afnam. In de veehouderij was er zelfs een toename van dierlijke productie, terwijl de dieren minder voer kregen.

Goal 12: ‘Verzeker duurzame consumptie- en productiepatronen’; 

Ten opzichte van de EU heeft Nederland een hoge grondstofinput van onder andere energiedragers. De reden hiervoor is dat Nederland een exportland is: veel van de grondstofinput wordt gebruikt voor exportproducten. Als export buiten beschouwing wordt gelaten en er alleen naar de consumptie van producten in Nederland wordt gekeken dan valt per hoofd van de bevolking de consumptie juist laag uit ten opzichte van veel andere Europese landen. De consumptie van fossiele energiedragers is wel relatief hoog in Nederland. Dit laatste heeft onder andere te maken met het relatiefkleine aandeel hernieuwbare energie in Nederland.

De economische groei is een belangrijke autonome factor die de behoefte aan grondstoffen vergroot. Tussen 2010 en 2016 groeide de economie met 6 procent, vooral dankzij de export en nauwelijks door binnenlandse consumptie. De binnenlandse materiaalconsumptie per hoofd van de bevolking is tussen 2010 en 2016 met ongeveer 15 procent afgenomen. De grondstofconsumptie in de keten laat de grondstofvoetafdruk van Nederland zien. De consumptie is tussen 2010 en 2016 met 26 procent gedaald. Deze daling is vooral toe te schrijven aan minerale grondstoffen en heeft te maken met de afname van bouwactiviteiten waarbij veel mineralen worden ingezet. Deze daling lijkt daarom meer conjunctureel dan structureel.

Nadat goederen gebruikt zijn komen ze vroeg of laat als afval weer vrij. Van dit afval wordt in Nederland bijna 82 procent gerecycled. Het grootste deel van het afval dat vrijkomt is bouw en sloopafval. In vergelijking met andere EU landen is het percentage gerecycled afval in Nederland hoog. Dit gerecyclede afval kan primaire grondstoffen vervangen en zo de grondstofbehoefte verminderen. Echter, ten opzichte van de totale inzet aan grondstoffen door de Nederlandse economie is de hoeveelheid afval die via recycling als secundaire grondstof kan worden ingezet relatief klein. Nederland blijft dus grotendeels afhankelijk van primaire grondstoffen.

Het hoge totaal recyclingpercentage geldt niet voor alle afvalstromen. Het percentage door gemeentes ingezamelde huishoudelijk afval dat gerecycled wordt is een stuk lager dan het landelijk totaal. In vergelijking met andere EU-landen scoort Nederland net boven het gemiddelde. Hetzelfde geldt voor gevaarlijk afval, hier staat Nederland elfde als het gaat om het recyclingpercentage.

Per persoon werd er in 2015 een kleine 130 kg voedsel verspild, d.w.z. voedsel dat voor menselijke consumptie bedoeld was, werd daar niet voor gebruikt (Soethoudt et al., 2017). Ten opzichte van 2009 is hier weinig in veranderd. De absolute reductiedoelstelling van 20 procent tussen 2009–2015 is dan ook niet gehaald (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009).

Development Goal 13: ‘Ondernemen van urgente actie om klimaatverandering en de gevolgen ervan tegen te gaan’. 

Van alle Europese landen heeft Nederland de op vier na hoogste uitstoot van broeikasgassen per inwoner. Alleen in Tsjechië, Ierland, Estland en Luxemburg is de uitstoot per inwoner hoger. Er zijn verschillende redenen waarom de broeikasgasemissies per inwoner hoger zijn dan in de ons omringende landen. Ten eerste is Nederland voor zijn energievoorziening nog grotendeels afhankelijk van conventionele energiebronnen zoals aardgas, steenkool en aardolieproducten. Het aandeel hernieuwbare energie uit windenergie, zonne-energie en biomassa is relatief

Ten tweede zijn bedrijfstakken met een hoge broeikasgasintensiteit sterk in Nederland vertegenwoordigd: elektriciteitsbedrijven, raffinaderijen, basismetaalindustrie, chemische industrie, wegtransport en veehouderij. Ten slotte produceert Nederland in relatieve zin meer voor de export dan de omringende landen. De emissies van de export komen voor rekening van het producerende land en worden niet geteld bij het importerende land. Hierdoor komen de emissies per inwoner relatief hoog uit.

Sinds 2000 zijn de broeikasgasemissies per inwoner gedaald met 17 procent. In de EU als geheel daalden deze emissies nog meer, namelijk met 20 procent. De daling in Nederland werd met name veroorzaakt door energiebesparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving, energie-efficiëntere productiemethoden in de industrie, emissiereducties in de landbouw en een groter aandeel hernieuwbare energie.

De broeikasgasintensiteit, gedefinieerd als de uitstoot broeikasgassen gedeeld door het bbp, daalde met 22 procent tussen 2000 en 2016. Terwijl in deze periode het bbp steeg met 21 procent, daalden de emissies door economische activiteiten met 6 procent. In de chemische industrie, de basismetaalindustrie en de luchtvaart verbeterde de broeikasgasintensiteit aanzienlijk, terwijl bij de raffinaderijen, afvalbeheer en het vervoer over land weinig tot geen verbetering is te zien. Met betrekking tot de broeikasgasintensiteit neemt Nederland binnen Europa een middenpositie in. Dat Nederland hier beter scoort dan voor de emissies per inwoner komt doordat het bbp per inwoner relatief hoog is. Wel is Nederland sinds 2008 gezakt van de zesde naar de dertiende plaats. In de andere EU-landen verbetert de broeikasgasintensiteit dus sneller dan in Nederland.

Klimaatbeleid is een belangrijk onderwerp voor het huidige kabinet (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, 2017). Nederland zet in op maatregelen die moeten leiden tot een halvering van de CO2-uitstoot in 2030. Voor de korte termijn worden maatregelen genomen als vergroening van het belastingstelsel, meer kavels op zee voor windenergie, de introductie van een minimumprijs van CO2 voor de elektriciteitssector. Er komt een

nationaal klimaat- en energieakkoord om de CO2-uitstoot de komende jaren fors te verlagen. Met steun van maatschappelijke organisaties streeft de Nederlandse overheid ernaar om in enkele decennia een koolstofarme energiehuishouding tot stand te brengen en om hierbij kansen te creëren voor een nieuwe, duurzame economische groei.

Plaats uw reactie

Reactie(s)

Er zijn nog geen reacties! Plaats als eerste een reactie

Interesse? Meld je aan voor de nieuwsbrief